Pathé : langs berg en dal

Geschreven door Jan Cuypers.

Grammofoons hadden  vroeger geen elektriciteit nodig. Een stalen naald tast de groeven van de plaat af en geeft het geluid door aan een mica schijfje, dat deel uitmaakt van de “toonkop”. Een hoorn koppelt het aan de omgevingslucht en geeft het zo door aan de oren van de luisteraar.

Maar in de collectie van het Omroepmuseum zitten twee toonkoppen waaraan geen stalen naalden zitten, maar een soort vast staafje.

image002image004image006

En dat staat onder een hoek ten opzichte van de behuizing, zie de afbeelding. Ze zijn beide van het merk Pathé, de ene met Engelse, de andere met Franse opschriften.

 Op de Franse staat ook een Pathé-embleem : een persiflage op de klassieke discuswerper die hier met een … grammofoonplaat gooit. In één versie draagt hij het opschrift “Les disques Pathé chantent sans aiguille”, maar daarvoor was er hier net te weinig plaats. Dan moet dat toch iets speciaals zijn?

In feite is het een voorbeeld van “remmende voorsprong”, of ook het blijven vast houden - ondanks alles - aan een principe dat ooit uitstekend was, maar later achterhaald blijkt. De toonkoppen zijn uitsluitend bruikbaar met Pathé-platen, die gesneden waren met verticale modulatie, ook wel diepteschrift of “hill-and-dale” genoemd. De meeste andere platen werden lateraal gesneden. Hierover verder meer. Pathé gebruikt speciale naalden uit saffier, een edelsteen – in feite een aluminiumoxide – die lang meegaat. Het uiteinde heeft de vorm van een bal eerder dan een punt zoals bij stalen naalden.

De gebroeders Pathé geloven in de Edisonrol :

We kennen Edison als de uitvinder van de rollenfonograaf (1877). Rond 1890 komt hij op de markt met vooropgenomen wasrollen. (Met de toestellen van Edison kon men ook zelf opnames maken.) De gebroeders Pathé, die in Parijs een café uitbaten, geloven in de moderne audiovisuele media. Ze zijn geïnteresseerd in de fonograaf, ook in film trouwens. Ze beginnen met de productie van rollen die op de fonograaf konden weergegeven worden, en later ook van hun eigen rollenfonografen.

Intermezzo 1 : Hoe werkt zo’n fonograaf nu eigenlijk?image008

Deze tekening is uit de Nouveau Larousse Illustrée 1898 pag. 851 :

 Een cilinder C is bevestigd op een lange schroef. Als men ze ronddraait, verplaatst ze zich ook zijdelijngs. Rond die cilinder zit een koker F uit harde was. Het geluid brengt via het mondstuk E het membraan T tot trilling. Die trilling wordt doorgegeven aan een graveernaald P die door een veer R op zijn plaats gehouden wordt. De graveernaald snijdt in de wasrol een spiraalvormige groef uit waarvan de diepte varieert met het geluid.

Het wordt misschien duidelijker met de afbeelding van een vroeg demotoestel uit het Smithsonian museum : (Bron:  www.britannica.com/technology/phonograph) 

image010

Hieronder zien we een eenvoudige animatie. Een geluidstrilling verandert de diepte van de groef. De foto ernaast toont hoe dit oogt op een commerciële Edisonrol.

vertikaalimage012

We zien dat de groeven vlak naast mekaar liggen. Bij de luide passages overlappen ze zelfs eens beetje : de wanden duwen elkaar weg. Dat is geen bezwaar omdat toch de dieperliggende flanken van de groef afgetast worden. Geen risico om bij weergave van groef te verspringen dus.

Wat is de speelduur van zo’n rol? De totale lengte van een standaardrol bedraagt 11 cm, buitendiameter ongeveer 5,7 cm. Met een meetlat erbij – elk streepje is een millimeter - kunnen we aflezen dat er 40 groeven per cm zijn, dat stemt overeen met 100 groeven per inch, de toenmalige norm. Op het deksel van de doos lezen we dat hij moet draaien aan 160 omwentelingen per seconde, en deze rol is over een lengte van ongeveer 8,8 cm opgenomen.

Dan is de speelduur : 40 (groeven/cm) x 8,8 (cm lengte) / 160 = 2,2 minuten. Later kwamen er rollen op de markt met 200 groeven/inch, speelduur 4 minuten dus.

image014

 

 image016 

Vergelijken we dat met een klassieke 78-toerengrammofoonplaat. De geluidsinformatie is niet in de diepte, maar in de zijdelingse verplaatsing opgeborgen. De groeven van zo’n plaat blijven altijd even breed (en diep), maar slingeren heen en weer op het ritme van het geluid. Ze zijn ongeveer even breed als de “wal” tussen twee groeven.

 

horizontaal image018 image020 

We tellen zo’n 38 groeven per cm, 96 per inch, een standaardwaarde voor 78-toerenplaten. Voor een plaat van 30 cm diameter is er maximaal 9 cm beschikbaar voor de “content”, dus is de maximale speelduur : 38 / 78 x 9 = 4,38 minuten. In de praktijk duurde een plaatkant gewoonlijk een drietal minuten.

Intermezzo 2 : Hoe worden deze wasrollen vermeerderd?

De productie van grammofoonplaten is eenvoudig : de materie wordt tussen twee delen van een matrijs geperst zoals een Luikse wafel en klaar is Kees. Bij fonograafrollen is zo’n procedé onmogelijk. Maar hoe kwam men dan wel aan voldoende verkoopbare –zie de catalogusnummers op de doosjes van Pathé en Edison - exemplaren?

image022

Het klinkt onwaarschijnlijk, maar tot ongeveer 1900 werden de rollen individueel ingezongen! Het is moeilijk aan te nemen dat een bekende operastem een aria bijvoorbeeld 500 keer zou inzingen, en dat was ook niet het geval. Men maakte gebruik van goede maar niet zo bekende zangers die een muziekstuk per dag veertig (!) maal of meer uitvoerden. Niet voor niets heetten ze bij Pathé de forçats (de dwangarbeiders). Van rechten van uitvoerende kunstenaars was toen nog geen sprake. De zangers en de meestal kleine orkesten zongen in een grote hoorn, die verbonden was met verscheidene opnametoestellen. Zo kwam men toch vlot aan grotere aantallen.

We weten niet van wanneer de opname van Bergeret dateert (de Pathérol links). Beluister hier twee verschillende opnames – de aankondiging is verschillende - met hetzelfde catalogusnummer! (Uit www.phonobase.org/audio)

Versie 1 :

Versie 2 :

Daarna kwam de periode van de “poisson”, de vis van Pathé.  Andere producenten hadden iets gelijkaardigs, evenwel met een minder sprekende naam. Die vis was een soort pantograaf waarvan de vorm doet denken aan een vis. Een afleessaffier volgt de sporen van een opgenomen cilinder terwijl aan het andere uiteinde een graveerstift dezelfde informatie uitsnijdt in een maagdelijke rol. (Onderstaande figuur is afkomstig van de uitstekende website www.delabelleepoqueauxanneesfolles.com) 

image024Vanaf 1905 brengt Pathé platen op de markt, en op deze figuur wordt de “vis” toegepast om een plaat te snijden vertrekkende van een speciale grote rol. Aan het rechteruiteinde van de elliptische vorm tussen plaat en rol zit de afleessaffier, links de beitel die een plaat graveert, uiteraard in diepteschrift. In het midden hangt een rond gewicht om de juiste druk te verkrijgen; de arm links  geleidt de snijbeitel via de verbinding met het wormwiel rechts. Het graveren van rollen ging gelijkaardig, de blanco rol zat op de plaats van de plaat. Er waren wel beperkingen : uit kwaliteitsoverwegingen worden de groeven aan een lagere snelheid afgetast, zodat het snijden van een rol van twee minuten zo’n twintig minuten duurt. Men kan maximaal 30 kopies maken vanaf één rol, dan is de slijtage van de groeven merkbaar.

Uiteindelijk komen er manieren om rollen te “persen”. Om een “negatief” te maken bedekt men een pas gesneden rol met geleidende koolstof. Bij Edison was dit een goudlaagje : “Gold moulded”. Door een elektrisch procédé wordt daarop een dikke koperlaag afgezet en nadat de wassen cilinder weggesmolten is, heeft men een koker met aan de binnenkant een negatief van de originele groeven. De kunst bestaat er in van de binnenzijde te bedekken met een product dat lichtjes krimpt als het afkoelt, zodat men het kan verwijderen zonder de groeven te beschadigen. Edison gebruikte in het begin van de eeuw verschillende wassoorten die wel wat bros waren, getuige dit korte filmpje : 

 

 

Pathé was toen al overgeschakeld op celluloid, materiaal dat gebruikt werd voor halsboorden, biljartballen, pianotoetsen en fotofilms. Celluloid is gemakkelijker te behandelen en steviger dan was en het werd na verloop van tijd ook door Edison gebruikt om rollen te persen. De Edisonrol van de foto is van was (in feite een zeep, met ondermeer aluminiumstearaat) , de Pathérol vermoedelijk van celluloid.

Maar keren we terug naar het begin van het artikel : de speciale toonkoppen voor diepteschrift. Rond 1900 verschijnen er stilaan grammofoonplaten op de markt, en ze krijgen succes. Pathé en Edison kunnen niet achter blijven. Ze hebben een cilindercatalogus opgebouwd en die kopiëren ze naar platen met de “vis”-methode van de schets hierboven. Pathé stopt in 1914 met de productie van cilinders, maar ze blijven speciale grote cilinders gebruiken als masters om hun grammofoonplaten te maken. Ze beweren dat de kwaliteit dan beter is, en misschien was dat wel zo.

image026De eerste wereldoorlog brengt een explosieve groei mee van platen en spelers, ook aan het front. Maar de meeste merken graveren wel in zijdelings schrift en die zijn niet compatibel met het diepteschrift. De markt voor Pathé begint zienderogen te krimpen. De doodsteek komt wanneer vanaf 1925 de platen niet meer met een grote hoorn maar elektrisch opgenomen worden. De Pathétechnologie is dan volledig achterhaald. In 1929 stoppen ze met de productie van platen in diepteschrift. De “disque à aiguille” heeft gewonnen.

  

 

 

Tenslotte nog iets over de Edisonrol van de foto : Blijkbaar behoorde hij toe aan het NIR-INR. Wellicht in de vroege image028periode, begin jaren 1930, toen de elektrische opnames nog nieuw waren en het repertoire beperkt. Er moeten bij de toenmalige omroep dus ook toestellen geweest zijn om deze rollen weer te geven en uit te zenden … Op de doos kleeft een etiket met daarop VI-RO. Het is voorlopig een raadsel wat dit betekent; het is mogelijk een tweetalige afkorting….. Tenslotte zijn langs de rand van dit halfrond etiket de getallen van 1 tot 30 gedrukt. We hebben dezelfde etiketten ook gezien op 78-toerenplaten. (Vandaar de vorm wellicht.) Zou het misschien de bedoeling zijn van bijvoorbeeld door middel van kruisjes aan te geven hoe dikwijls de cilinder of de plaat al weergegeven is? Pathé gebruikte zijn moederrollen ook maar dertig maal ….