Geschiedenis van de televisie in Vlaanderen

Geschreven door Erik De Groef.

Op 31 oktober 1953 begon het Nationaal Instituut voor de Radio-omroep in Vlaanderen met televisie-uitzendingen. In Groot-Brittannië was de BBC er al mee gestart voor de Tweede Wereldoorlog, daarna volgden de Verenigde Staten, Nederland startte in 1951.

Het aantal televisietoestellen in ons land was op dat moment uiteraard beperkt, maar toch genoot het medium snel een buitengewone weerklank. Wie geen toestel had nodigde zichzelf uit bij buren of familie of bewonderde het nieuwe medium in cafés of uitstalramen. Programma’s als “Schipper naast Mathilde”, “Penelope” en “100.000 of niets” blijven tot op de dag van vandaag tot de verbeelding spreken.

De eerste jaren in het Flageygebouw waren een echte pioniersperiode, met slechts één legendarische Studio 6 waarin zowel tv-spelen als de nieuwsuitzendingen, de omroepster, de weerman en later ook de eerste jeugdfeuilletons hun plekje moesten vinden.

De echt grote doorbraak kwam er met Expo 58. Iedereen wilde dat zien, er werd elke dag rechtstreeks uitgezonden, de tv-toestellen vlogen de deur uit. Aan de expo hield de televisie ook het “Amerikaans Theater” over, de tot publieksstudio omgebouwde restanten van het Amerikaanse paviljoen op de Heizel, waar talloze succesvolle muziek- en spelprogramma’s werden opgenomen en die tot 2012 in dienst bleef.

Hoewel de Vlaamse televisie in de jaren zestig ook vele andere panden in de buurt van het Flageyplein betrok, had de omroep dringend een nieuw gebouw nodig. In 1971 was de BRT bovendien met kleurentelevisie gestart. Dat betekende hoedanook dat de volledige technische infrastructuur vernieuwd moest worden. Begin jaren zeventig werd het nieuwe Omroepcentrum aan de Reyerslaan dan ook geleidelijk aan in gebruik genomen. Buiten de nieuwsstudio waren er ook nog twee middelgrote en één grote studio, waardoor het eigen programma-aanbod sterk kon worden uitgebreid. Dat was niks te vroeg, want door de snelle bekabeling van Vlaanderen werd de concurrentie van de populaire ontspanningsprogramma’s op de Nederlandse publieke omroep een heus probleem, dat overigens te laat werd onderkend.

In 1977 opende de BRT een tweede televisienet, eerst enkel op dinsdag en donderdag. De meer ernstige programma’s verschoven daar naartoe, zodat het eerste net de handen vrij had om de slag om de kijker aan te gaan.

In de jaren tachtig kwam het binnenlandse monopolie van de BRT, vooral dan qua berichtgeving en duiding, politiek meer en meer onder druk te staan. De komst van commerciële televisie werd onafwendbaar. VTM verscheen in 1989 op de kabel en het werd snel duidelijk dat het een te duchten concurrent zou worden.

De omvorming van de openbare omroep tot een onafhankelijke NV van publiek recht in 1997 luidde de wederopstanding in. TV1, in 2005 omgevormd tot één, werd een succesvolle zender voor het grote publiek, Canvas en Ketnet gaven een herkenbaar gezicht aan het tweede net. Op 1 januari 1998 werd de omroep omgedoopt tot VRT, met als opdracht om met eigen programma’s een zo breed mogelijk spectrum aan Vlaamse kijkers te bedienen.

Ook de commerciële zenders bleven niet bij de pakken zitten, de Vlaamse Mediamaatschappij opende naast VTM een tweede net en ook het Scandinavische SBS gooide zich met VT4 en VIJFtv in de strijd.

In 2012 werd het voorlopige hoogtepunt bereikt in de felle concurrentiestrijd: een constructie rond productiehuis Woestijnvis verbrak de banden met de VRT en vormde VT4 om tot VIER. De VRT opende een derde net, OP12, waar Ketnet en doelgroepentelevisie voortaan onderdak vinden.